Feike Asma als koraalbewerker

Feike Asma als koraalbewerker

door Jaap Niewenhuijse

Stacks Image 7

Aan Asma terugdenkend komen mij enkele gebeurtenissen voor de geest. Mijn eerste ontmoeting met hem: ik had een afspraak gemaakt in de Ned. Herv. Kerk van Kloetinge, om wat eigen werk te laten zien. Hij speelde het door en gaf commentaar. Ik moest de harmonieleer en Bachs Orgelbüchlein goed bestuderen. Dat werd dus een zware kluif! Maar wel een degelijk advies. Ik had van hem eigenlijk wat anders verwacht. Later begreep ik dat Feike Asma, op het eerste gezicht toch een wat ruwe man, heel fijn besnaard was en ook heel precies was in de muzieknotatie.

Wat mij opviel was de gedegen theoretische ondergrond die hij bezat. Zijn manier van koraalharmonisatie was goed onderbouwd. Logisch dat bij een niet-ritmische zetting een rijker palet aan harmonieën gebruikt werd dan in de ritmische versie. Vergelijk bijv. Psalm 8 uit z’n beginperiode met Psalm 149, die veel later is ontstaan. Bij Psalm 8 doel ik uiteraard op de geschreven versie. Naar ik begrepen heb, heeft hij er later een ritmische zetting van gemaakt.

Een koraalbewerking waar hij zelf waarschijnlijk toch trots op is geweest, is die over Gezang A / Psalm 140. Ik ken de compositie in drie uitgaven. De eerste verscheen in Harpklanken band 10 samen met werk van diverse andere componisten, waaronder zijn toenmalige leerling Gradus Wendt. Het is manualiter geschreven en staat in G. Een versie met pedaal verscheen bij uitgeverij Joh. de Heer als no. 2 in de Zes Orgelkoralen. Ditmaal gevolgd door een koraalzetting. De toonsoort is wederom G. Tenslotte, weer manualiter en nu een toon lager getransponeerd in F, in het Orgelboek van de Enige Gezangen (eerste druk 1952).

Wat opvalt bij de composities (zelf sprak hij liever van koraalbewerkingen) uit de periode Leiden en Den Haag is dat de moeilijkheidsgraad hoger ligt dan in de werken die veel later ontstonden in Maassluis (behalve de Toccata over Psalm 75 die pas na zijn dood is uitgegeven). In zijn begintijd en ook wat later lijkt het of hij al zijn kunnen wilde tonen.

Om een voorbeeld te noemen: de op cd 5 gespeelde canon over ‘Ach, blijf met Uw genade, Heer Jezus, ons nabij’ uit zijn Leidse tijd is erg contrapuntisch (elke stem heeft een melodie). De canons in de Hymne over Psalm 138 en in de Fantasie over Psalm 43, die naar ik aanneem later ontstonden, zijn veel eenvoudiger van opzet (CD 6).

Een opmerkelijk verschijnsel doet zich voor bij de uitgave van de (korte) Koraalvoorspelen. Op de voorzijde wordt vermeld dat dit de eerste band is. Dit gebeurde veel eerder ook bij Jan Zwarts uitgave van de 20 Korte Koraalvoorspelen. Op geen van beide is ooit een vervolg gekomen!

Feike Asma haalde zijn muzikale mosterd duidelijk bij Jan Zwart. Enkele voorbeelden zullen dit illustreren. Psalm 33 van leermeester Zwart (Alla breve uit: ‘Musijck over de Voijsen der Psalmen Davids’ deel 2) wordt op knappe wijze nagedaan door Asma in zijn Psalm 81 (verscheen als muziekbijlage in Het Orgelblad). Eveneens Psalm 6 (ook uit bovengenoemde bundel van Zwart) die Asma als voorbeeld diende voor zijn bewerking in Triovorm over Psalm 25 (te vinden in de reeds geciteerde Zes Orgelkoralen).

Later liet hij zich (incidenteel) beïnvloeden door Paul Chr. van Westering: Psalm 72 op cd 4 is hier een voorbeeld van. Dit volgens zijn eigen zeggen. In het middendeel van de Toccata over Psalm 75 valt m.i. de invloed van Hendrik Andriessen te bespeuren.

Maar Jan Zwart bleef hij toch trouw, al besefte hij wel dat hij een eigen weg moest inslaan. In N.C.R.V.’s Globaal zei hij eens toen het hierover ging: ‘Nou Gerard [Gerard v.d. Berg, JK], wat ik daar voor moeite mee gehad heb, daar heb je geen idee van, dat is een strijd geweest’. Hij had duidelijk problemen met het afstand nemen van Zwarts werk en spel. Een eigen weg heeft hij m.i. wel gevonden, al bleef je wel horen waar hij, muzikaal gezien, vandaan kwam. In zijn grotere koraalfantasieën, zoals die over Psalm 42 en 138, ‘De Heer is God, en niemand meer’ hoor je nog wel Jan Zwart, maar ook een eigen geluid.

Op de vraag, in bovengenoemd radioprogramma aan hem gesteld, wat hij het liefst, zo voor zich zelf speelde, antwoordde hij: ‘Bach!’ Dat hij een enkele keer deze magistrale figuur als voorbeeld nam voor een compositie is niet verwonderlijk. Zwart was hem hier al in voorgegaan met zijn trio over ‘Het Gebed des Heren’. Feike Asma maakte eveneens een trio, nu over ‘Heugelijke tijding’ (Gezang 113). Bach’s ‘Herr Gott, nun schleuss den Himmel auf’ (BWV 617) stond model voor Feike’s bewerking over ‘Jezus is mijn toeverlaat’ (cd 5).

Feike Asma»’s opvolger in Maassluis, Jaap Kroonenburg, is volgens mij de vertolker bij uitstek van Asma’s koraalwerk. Het Garrels-orgel en Jaap z’n spel staan borg voor een ideale uitvoering!

 

© Foto: Koos Schippers, Lisse